Door geen kostgeld te vragen en het nemen van bijbaantjes toe te staan, voorkomen zij dat het zakgeld moet worden verhoogd. Nederlandse jongeren hebben daarmee hun positie als medekostwinners volledig verloren. Dat blijkt uit onderzoek van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
In het kader van de SVB-conferentie ‘Kind en sociale zekerheid’ op 18 november 2005 heeft de SVB onderzoek gedaan naar de rol van kinderen in de informele gezinseconomie. Dat de financiële verhoudingen in gezinnen in de loop der tijd zijn veranderd, was al zichtbaar. Onduidelijk was echter wat hiervoor de verklaring is en hoe dit in de praktijk uitwerkt. Volgens de onderzoekster Ali de Regt, verbonden aan de Universiteit Van Amsterdam, moet de reden gezocht worden in de blijkbaar diepgewortelde angst van ouders om gezien te worden als profiteurs van kinderen.
Kostgeld heeft pedagogische reden
Ouders van kinderen met een bijbaantje vragen vrijwel nooit kostgeld. Het inkomen dat kinderen zelf verdienen ontlast ouders van het betalen van nog meer zakgeld. Bovendien realiseren ouders zich dat zij hun kinderen nooit genoeg geld kunnen geven om het consumptiepatroon te bereiken dat adolescenten tegenwoordig verwachten. Ouders met thuiswonende, werkende kinderen vragen in de helft van de gevallen kostgeld. Dat is 25% minder dan in 1980. De reden daarvan is geen financiële: het is een symbolisch bedrag, uit pedagogische overwegingen. Ouders zien kostgeld als een manier om jongeren de waarde van geld bij te brengen, hen te leren met geld om te gaan en duidelijk te maken dat het huishouden geld kost. Daarmee hebben jongeren hun positie als medekostwinners volledig verloren.
Ouders zien kinderen niet als kostgangers
Vooral als ouders meer verdienen, neemt de neiging af om kinderen een financiële bijdrage te vragen. Ouders willen de kosten voor hun kind eigenlijk niet uitrekenen, ook niet als hun thuiswonende kinderen een baan hebben en niet meer leerplichtig zijn. Dat vinden zij iets voor kostgangers, en zo wensen zij hun kind niet te beschouwen. Dezelfde aarzeling is er ook bij ouders met een laag inkomen, zoals alleenstaande moeders met een bijstandsuitkering. Zelfs zij hebben een grote angst om te veel te vragen, ook al is het inkomen van hun kind soms bijna net zo hoog als hun eigen inkomen.
Consumptiecultuur geldt ook voor allochtone jongeren
Onbekend is of dezelfde trend zich ook voordoet in Marokkaanse, Turkse, Antilliaanse of Surinaamse gezinnen. Hier domineerde lange tijd een sterke cultuur waarbij het normaal was dat thuiswonende kinderen hun inkomen geheel afdroegen aan hun ouders. Of ook in deze gezinnen een individualisering is opgetreden – waarbij werkende kinderen een eigen inkomen houden en nog slechts een klein deel afdragen – vraagt aanvullend onderzoek. Wel blijkt dat allochtone jongeren niet onderdoen voor autochtone jongeren als het gaat om hun (dure) consumptiecultuur.
Over het onderzoek
Het onderzoek is uitgevoerd door dr. Ali de Regt, werkzaam op de afdeling Sociologie en Antropologie van de Universiteit van Amsterdam, in het kader van de SVB-conferentie ‘Kind en sociale zekerheid’ (18 november 2005). Het onderzoek maakt deel uit van een reeks onderzoeken waarvan de resultaten tijdens dit congres bekend worden gemaakt.